Wie waren deze dames?

‘De zusters/dames Spiering’. “Tot arbeid geroepen, tot dienen gewijd!”

Het waren de zusters Henriette Wilhelmine Spiering (Tiel *14 september 1852 – †3 januari 1921). Zij was bekend onder haar schrijversinitialen HWS.

HW Spiering


En Johanna Judith Spiering, (Tiel * 24 december 1862 – †7 maart 1944), met roepnaam Jeanne.

Johanna Judith Spiering


Oudste en jongste dochter uit het kinderrijke gezin van vader, de Tielse advocaat en plaatsvervangend rechter Willem François Ewoud Spiering (*Tiel 11 maart 1821 –  †27 januari 1869) en moeder,  de in België geboren Elisabeth Johanna barones van Balveren. (*Gent 2 juni 1820 –  †Tiel 27 januari 1864)
Zij was een dochter van de generaal der cavalerie W.E.J. baron van Balveren, die in de zomermaanden op het kasteel de Wijenburg in Echteld woonde. Henriette Wilhelmine werd als eerste dochter in het gezin geboren, na twee oudere broers, Carel Jan Adriaan, in 1850 en Walraven Elias Johan, in 1851.
Na de eerste dochter werden nog twee broers en drie zussen geboren. Dat waren Catherina Wilhelmina in 1856, Willem François  Ewoud in 1858, Frederik Johan Willem Gerhard in 1859, Anna Wilhelmina Carolina Frederike in 1860 en tenslotte de jongste dochter, Johanna Judith in 1862.

Het gezin woonde vanaf 1852 in een groot nog steeds aanwezig pand aan de Sint Walburgstraat in de binnenstad van Tiel, dat daarvoor bewoond werd door de stadssecretaris Hendrik Jan Rink. 

Het rechter pand was het woonhuis van de familie Spiering. Poststempel 1903.               Collectie Smit/Kers.

Huiselijk leven

Over het reilen en zeilen van het grote gezin is nagenoeg niets bekend.
De kinderen hebben wellicht een periode thuis basisonderwijs gehad, want uit het bevolkingsregister blijkt dat vanaf oktober 1858 in huis woonachtig was de onderwijzer Egbertus Antoni Schrader. Maar die vertrok al na twee jaar. Hoe voor die tijd de kinderen en later de jongste drie kinderen hun onderwijs kregen is niet meer na te gaan. Het kan natuurlijk zijn dat er altijd thuisonderwijs werd gegeven, maar dat de onderwijzer niet intern bij de familie woonde. Ook is het niet onmogelijk dat de kinderen naar de in 1858 opgerichte school voor Christelijk Nationaal Onderwijs gingen in de Sint Agnietenstraat.

Wel weten we dat de meisjes vanaf hun 16de jaar, voor twee jaar naar een kostschool in Ede werden gestuurd. Henriette Wilhelmine van 1869-1871 en Johanna Judith van 1878-1880. Een gemakkelijke jeugd zullen de kinderen niet gehad hebben. Want twee jaar na de geboorte van de jongste dochter Johanna Judith, overlijdt de moeder in januari 1864 en vier maanden daarna in mei een broertje op 12-jarige leeftijd. Vijf jaar daarna overlijdt ook de vader in januari 1869. 

Twee ongetrouwde zusters van vader Spiering, Anna Wilhelmina en Emma die nog in het huis van de grootouders der kinderen aan de Achterweg woonden, namen met streng regime de opvoeding van de kinderen op zich. De tantes overleden respectievelijk in 1887 en 1903. Jeanne dacht nog in hoge ouderdom met afschuw aan dit alles terug. In ieder geval bleven de kinderen wel in het ouderlijk huis wonen. Blijkens familiefoto’s hadden ze ook wel uitstapjes, o.a. naar het strand van Scheveningen.

Eind 1869 ging de oudste zoon in Utrecht studeren en Henriette Wilhelmina ging naar een kostschool in Ede. Hoofd van het gezin werd volgens de bevolkingsregisters het oudste, nog thuis wonende kind, totdat ook die vertrok en Henriette Wilhelmina als oudste dochter hoofd van het gezin werd.

Toen ook de andere kinderen hun ouderlijk huis voor studie of een huwelijk hadden verlaten, bleven Henriette en Jeanne uiteindelijk met de dienstbodes alleen in het grote huis wonen. Beiden bleven ongehuwd. Van 1915 tot 1925 woonde nog een nicht, Johanna Conrandina van Hasselt  bij hen in. Doordat vele familietakken in mannelijke lijn uitstierven werden de zusters uiteindelijk als laatsten in de lijn erfgenamen en werden zodoende ongewild rijk, zeker voor de tijd waarin zij leefden.

Toen tenslotte Henriette en Jeanne samen in het huis aan de Ambtmanstraat bleven wonen, leefden ze zo veel als mogelijk was een orthodox praktisch christelijk leven. Dat uitte zich o.a. door de dagelijkse dagopeningen met Bijbellezing en gebed met het huispersoneel en het ‘verrichten van goede werken’. Volgens overlevering waren de zusters zeer zuinige, alleraardigste mensen, die alleen maar geld uitgaven aan anderen. Zo zouden ze ook voor hun rekening een bekende schrijver hebben laten studeren. Helaas is onbekend wie dat was.

De enige bekende luxe die ze zich veroorloofd hadden was rond 1906 de aankoop van een Packard auto, met het op naam van Jeanne gestelde nummer M (voor Gelderland) 1869. De chauffeur werd telkens bij de garage ‘gehuurd’. Ze waren daarmee in Tiel waarschijnlijk de eerste vrouwelijke autobezitters! Het verhaal gaat, dat de cabine verhoogd werd omdat anders de dames met de indertijd in de mode zijnde grote hoeden er niet in konden zitten.

Packard auto uit 1906 (niet die van de dames)

Weldoensters

De zusters waren vanaf 1889 betrokken bij de rechtzinnige ‘Vereeniging tot Evangelisatie te Tiel’ en Henriëtte aanvaarde in hetzelfde jaar het patronaat over de juist opgerichte zondagsschool, waaraan ze zelf meer dan veertig jaar les zou geven. In 1891 werd voor hun rekening voor de Evangelisatie een kerkgebouw ‘Eben-Haëzer’ in de Gasthuisstraat gebouwd, dat in 1918, eveneens voor hun rekening geheel vernieuwd werd en uitgebreid met een verenigingsgebouw ‘Ons Huis’ en een woonhuis voor de beheerder.

Het ‘weldoen’ mag wel een familietrek genoemd worden. Zo was een broer medeoprichter van de Tielse ambachtsschool en was bestuurslid van de in 1886 opgerichte ‘Vereniging tot oprichting en instandhouding van de Tielsche Ziekeninrichting’, waarvan het ziekenhuis aan het Hoogeinde was gelegen.
De twee eerder vermelde strenge tantes vermaakten beiden na hun overlijden elk een bedrag van fl. 3000,- aan dit eerste Tielse ziekenhuis en broer Willem François Ewoud  liet in 1933 een legaat na voor het door de dames opgerichte ziekenhuis Bethesda.

Ziekenhuis Bethesda

De evangelisatievereniging was een reactie op de vrijzinnigheid die ook in Tiel in de tweede helft van de negentiende eeuw de overhand had gekregen en waar de ‘dames’ niet veel van moesten hebben.
Henriette werd bestuurslid, vaak voorzitter of secretaris, bij de besturen van de door haar in 1904 aan de Achterweg opgerichte Christelijke Wilhelminaschool en in 1910 van de Vereniging Christelijke Ziekenverpleging Tiel, waarvan het door de zusters gefinancierde ziekenhuis ‘Bethesda’, eveneens aan de Achterweg was gevestigd.

Christelijke Wilhelminaschool

Wie schrijft die blijft

Henriette heeft onder het pseudoniem HWS vanaf 1891 en wellicht al eerder, zeker 157 godsdienstige boekjes voor jong en oud het licht doen zien (zie bijlage 3). De helft daarvan betreft vertalingen en/of bewerkingen van Christelijke uitgaven in het Duits en Engels.
Daaronder is haar Bijbels dagboek nog het meest succesvol, want dat werd nog in 1995 in een modernere versie opnieuw uitgegeven. 
Henriette was van 1894 tot 1911 redactrice van het maandblad ‘Onze Jonge Meisjes’, dat tot 1904 bij A. van Loon te Tiel werd uitgegeven en waaraan ze vele bijdragen geleverd had en ze was eindredactrice van de serie ‘Groene Boekjes der Christelijke Bibliotheek’ welke door G.F. Callenbach te Nijkerk van 1911 tot 1916 werden uitgegeven en waarin zij ook zelf vele boekjes heeft gepubliceerd.
Het is zeer waarschijnlijk dat ze, naast haar boekjes, ook nog veel losse artikelen in tijdschriften en/of kranten heeft gepubliceerd. Daarnaast gaf ze jarenlang lezingen met lichtbeelden en was actief in de beweging voor de bewustwording van jonge meisjes en de emancipatie van de vrouw in het algemeen.
Blijkbaar had haar zus Jeanne geen behoefte aan schrijven, want van haar is geen enkele publicatie bekend. Anderzijds was ze wel internationaal actief voor de vrouwenbeweging, wat blijkt uit haar deelname in 1915 aan het in Den Haag gehouden Congrès International des Femmes.
Ze bleef ook actief na het overlijden van haar zus. Zo was ze in 1934 lid van het Comité van aanbeveling voor de anti-opiumfilm ‘Rawane’, uitgebracht door de samenwerkende zendingscorporaties.
Voor zover is na te gaan is na 1913 geen boek meer van de hand van Henriette verschenen. Vermoedelijk liet haar gezondheid toen al te wensen over.
Dat ze hoog gewaardeerd werd als persoon en als mens bleek uit de zeker voor Tielse begrippen overweldigende belangstelling met duizenden mensen langs de route bij haar begrafenis in 1921, waarbij zelfs de politie moest worden ingeschakeld om alles in goede banen te leiden. Kranten in het gehele land die melding maakten van het overlijden schreven over haar als ‘eene vrouw van niet gewone betekenis.’
Over de begrafenis van Jeanne is niets bekend, omdat in 1944 er in Tiel geen krant meer verscheen.

De Fundatie en de ‘Dames’

Op hun manier waren de dames en in het bijzonder Henriette, met al hun ontwikkelde activiteiten door de instelling van gemeenschapsvoorzieningen, hun tijd vooruit.
Dat blijkt ook uit Henriettes deelname aan de in 1898 in Den Haag gehouden Nationale Tentoonstelling over Vrouwenarbeid, waar ze als correspondente bij betrokken was.
En heel duidelijk is, dat naast evangelisatie, de zorg voor de naasten, onderwijs en de ontwikkeling van de vrouw, grote drijfveren waren bij hun werkzaamheden.

Ook de aanschaf van een auto  geeft aan dat de dames bepaald niet bekrompen, maar praktisch dachten. Zonder dat eigentijdse vervoermiddel had Henriette nooit de vele lezingen in het hele land kunnen houden. Voor zover het niet op gespannen voet kwam te staan met hun principes, gingen ze mee met hun tijd, stelden ze zich soepel op en zijn ze in dat opzicht wellicht progressief te noemen. Anderzijds liet vooral Henriette bepaald niet over zich heen lopen als ze het ergens niet mee eens was.
In het algemeen hield zij zich bezig met de ideële kant van het evangelisatiewerk, terwijl Jeanne zich meer met de uitvoering bezig hield en in veel gevallen het  financiële beheer tot haar taak rekende.

De door hen opgerichte monumentale gebouwen zijn allemaal intussen afgebroken, de instellingen die er gebruik van maakten, weliswaar aangepast naar de normen van de tijd, zijn gegroeid en nog steeds in functie. (zie bijlage 2)

Dat tijden kunnen veranderen en de beperktheid van het leven, zagen de zusters ook wel in en daarom richtten ze op 9 maart 1909 de ‘Fundatie voor Christelijke belangen te Tiel’ op, met als hoofddoel ‘evangelisatie in de breedste zin’  te bevorderen. Het beheer over het vermogen bleef gedurende hun leven uitsluitend berusten bij de stichteressen en zou daarna onder verantwoording van een door hen ingesteld curatorium komen. Bij de oprichtingsacte schreef Henriette zelf een uitgebreide toelichting. Zij  stelt daarin “Wat ook in Kerk en Maatschappij moge veranderen of voorbijgaan, het onrustig zondaarshart blijft en kan alleen rust vinden in de waarheid, die naar de godzaligheid is.”
En niet vreemd, met daarin ook een opmerkelijk pleidooi voor verbetering van de positie en invloed van de vrouw.  Het eerste bestuur van het door hen opgerichte ziekenhuis bestond dan ook alleen uit vrouwen!

Bij de oprichting was het vermogen van de Fundatie fl. 200,-, dat echter na het overlijden van HWS in 1921 door een legaat van haar met fl. 200.000,- groeide. Na het overlijden van Jeanne in 1944 werd een gedeelte van haar vermogen eveneens aan de  fundatie overgedragen, alsmede de onroerende goederen, bestaande uit de gebouwen van de door de dames in Tiel gestichte instellingen en een drietal huizen. De curatoren, die tot het overlijden van Jeanne niets hoefden te doen, kwamen nu in functie. In de loop der jaren werden de gebouwen verkocht en de opbrengsten bij het vermogen gevoegd.
Uiteindelijk heeft het bestuur van de Fundatie de doelstellingen aangepast aan de veranderde maatschappij en kerkelijke samenleving. Daarbij  wel het gedachtengoed der zusters Spiering als beleidslijn in het oog houdend.
Het is bijzonder te zien dat de inspanningen van de zusters Spiering op kerkelijk gebied, de ziekenzorg en het onderwijs tot in de huidige tijd voortgezet worden. Men kan zich wel afvragen of de hedendaagse emancipatie van vrouwen en meisjes zou voldoen aan de normen van de zusters. Maar in hun tijd hebben ze daaraan voortvarend en met toewijding gewerkt en wellicht daarmee een zaadje gelegd, dat tot in de huidige tijd heeft doorgewerkt.
Met de rente van het opgebouwde kapitaal worden in Tiel en omgeving door de curatoren op aanvraag subsidies verstrekt aan kerkelijke instellingen en/of -initiatieven. Daarbij blijft het gedachtengoed van de zusters, weliswaar getoetst naar hedendaagse maatstaven, nog steeds gehanteerd.

Een verdiend extra eerbetoon aan de ‘dames Spiering’ is dan ook de instelling in 2010 van de Spieringprijs door de Fundatie. Een tweejaarlijks onderscheiding voor nieuwe of vernieuwende initiatieven in de zorg, gericht op instellingen in Tiel en de wijde omtrek. 

Voor uitgebreide en meer gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de literatuurlijst in bijlage 1. Bijna al de daar vermelde bronnen en literatuur zijn in te zien in het Regionaal Archief Rivierenland te Tiel. (www.regionaalarchiefrivierenland.nl

Tiel, december 2020

W.Veerman